dinsdag 5 maart 2019

Waar blijven de duidelijke doelen voor het cultuurbeleid?


Het is altijd een beetje raadselachtig waarom sommige adviezen worden omarmd en andere in een la verdwijnen. Als consultant kamp je ermee en probeer je de vinger achter het ‘waarom’ te krijgen. En ook de Raad van Cultuur en zijn volgers hebben ermee te maken. Zelf ben ik al maanden op zoek naar het vervolg op het advies van de Raad over de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Ik licht dat graag even toe.


In de inmiddels fameuze verkenning Cultuur voor stad, land en regio (nov. 2017) adviseerde de Raad over de rol van de stedelijke regio’s in het cultuurbestel. Onder meer de suggestie om de regio’s een plan te laten maken voor hun ‘culturele ecosysteem’ kreeg breed navolging: de minister nodigde de regio’s uit om regionale cultuurprofielen te maken en daaraan werd breed gevolg gegeven. Opmerkelijk stil bleef het echter over een ander advies uit dezelfde verkenning, namelijk om heldere doelstellingen voor het cultuurbeleid te formuleren en die wettelijk vast te leggen. Na november 2017 heb ik er nergens meer iets over gehoord: niet bij monde van iemand van het ministerie, niet bij de raad, niet bij een van de vele conferenties over het regionale beleid en zelfs niet bij de oploop in Nijmegen (oktober 2018) ter gelegenheid van het verschijnen van een boek over 25 jaar Wet op het Specifiek Cultuurbeleid (Cultural policy in the polder). Opmerkelijk.


Een wet zonder duidelijke doelstellingen

Waar gaat het om? Heldere doelstellingen van beleid geven houvast als het gaat om de vraag waarop het beleid zich moet richten en wie waarvoor verantwoordelijk is. In zijn verkenning concludeert de Raad dat op dit moment de algemene overkoepelende doelstellingen van cultuurbeleid onvoldoende duidelijk zijn. Nu staat in artikel 2 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Wsc) het volgende: “Onze Minister is belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen; hij laat zich daarbij leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid”. Deze beschrijving is abstract en ruim geformuleerd. Ter vergelijking: artikel 2.1 van de Mediawet bevat een uitvoerige beschrijving van de publieke mediaopdracht en de daaruit voortvloeiende eisen aan het publieke media-aanbod. In 2016 zijn deze artikelen in de Mediawet nog aangepast, onder meer naar aanleiding van het advies van de Raad over het mediabestel.


Nadelen van de huidige formulering

Een wettelijke doelstelling die op een hoog abstractieniveau is geformuleerd, heeft als voordeel dat de wet niet vaak veranderd hoeft te worden, maar heeft als nadeel dat de gehanteerde containerbegrippen voor van alles en nog wat kunnen worden gebruikt. En dat, terwijl het cultuurbeleid juist zoveel behoefte heeft aan een duidelijke, gezamenlijke koers. Het beleidsterrein strekt zich namelijk uit over verschillende overheidslagen en er zijn zowel private als publieke organisaties bij de uitvoering van het beleid betrokken. Dan helpt het enorm om gedeelde doelstellingen te hebben. Die kunnen dienen als gezamenlijk kompas: een richtinggevend kader voor het gezamenlijke of onderling afgestemde handelen van de diverse overheden en de vele culturele organisaties.

Daarnaast is het zo dat de doelstellingen ex artikel 2 van de Wsc nu in de praktijk vooral fungeren als subsidiecriteria. Dit komt omdat ze als doelstelling nooit zijn geoperationaliseerd. Zo kon het gebeuren dat ‘kwaliteit’ uitgroeide tot een knock-out-criterium. En dat verscheidenheid een eenzijdige betekenis kreeg, gerelateerd aan de productie van cultuuruitingen en niet aan de afname. Ik vind dat een wet gebaseerd moet zijn op doelen die we gezamenlijk willen bereiken, niet op criteria die een eigen leven gaan leiden. En subsidiecriteria moeten niet statisch zijn, maar met de tijd en de omstandigheden meebewegen.


Doelen die richting geven

In zijn Verkenning probeerde de Raad inspirerende en herkenbare doelstellingen te formuleren. die richtinggevend en stimulerend zouden kunnen zijn voor Rijk, gemeenten en provincies. De Raad adviseerde om de volgende doelen vast te stellen en te verankeren, zowel in de wet als in het decentrale cultuurbeleid:

  • Dat creatieve en kunstzinnige talenten kansen en mogelijkheden krijgen om zich artistiek te ontplooien.
  • Dat iedereen, ongeacht leeftijd, culturele achtergrond, inkomen en woonplaats, toegang heeft tot cultuur.
  • Dat er een pluriform aanbod van cultuur is gegarandeerd, waarin het bestaande wordt gekoesterd en het nieuwe wordt omarmd.
  • Dat er een veilige haven is voor cultuur om te kunnen reflecteren op de samenleving en haar burgers, waarop ook kritiek geleverd kan worden.

Deze doelen zijn inderdaad een stuk concreter dan de tekst die nu in de wet staat. En uit ervaring weet ik dat ze zich makkelijk laten inpassen in de provinciale en gemeentelijke beleidskaders. Hoe spijtig is het daarom dat dit voorstel in Den Haag in een zwart gat verdween. Het zou mooi zijn als de minister of de Raad er in de komende periode, als het gaat over het cultuurstelsel 2021-2024, nog eens op terug zou komen. De minister heeft de Raad voor Cultuur gevraagd voor 1 april 2019 hierover te adviseren, waarna de minister met de Tweede Kamer in overleg gaat over de Uitgangspuntenbrief die in de zomer van 2019 wordt verstuurd. Hopelijk krijgt het voorstel van de Raad over duidelijke doelstellingen dan de aandacht die het verdient.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten