Zoeken in deze blog

zaterdag 19 juni 2021

Culturele ontwikkeling tijdens de pandemie: een keur aan paradoxen

Op 14 juni 2021 leverde ik een bijdrage aan de talkshow Cultuur in tijden van corona, georganiseerd door de Boekmanstichting en het BNG Cultuurfonds. Mijn observaties over de culturele sector wil ik ook graag langs deze weg delen. Ik doe dat door een aantal paradoxen te schetsen: omstandigheden die ogenschijnlijk met elkaar in tegenspraak zijn, maar nader beschouwd toch aan elkaar kunnen worden gekoppeld.

Controle en verwondering
De coronacrisis is wat Nassim Taleb noemt een Zwarte Zwaan: een onvoorspelbare gebeurtenis met een enorme impact. Maar ook al zijn crises niet te voorspellen, tóch richten we onze samenleving erop in. De filosoof Ulrich Beck noemt dit in zijn klassieke boek uit 1986 de ‘risicomaatschappij’. Hierin spelen gevoelens van angst en onzekerheid een steeds belangrijkere rol. Als burgers zijn we bereid om een deel van onze vrijheid op te geven in ruil voor meer veiligheid. We staan toe dat de staat ons met maatregelen beschermt, ook al maakt dit inbreuk op onze persoonlijke levenssfeer en zelfs op onze grondrechten. Ook voor culturele organisaties wordt risicobeheersing op uiteenlopende terreinen steeds belangrijker, of het nu gaat om ‘crowdcontrol’, arbo, klimaatbeheersing, financial risk management of zelfs de presentatie van het artistieke product. In een domein waarin het moet gaan om verrassing en verwondering vloeit steeds meer aandacht, tijd en geld naar het beheersen van risico’s.

Vast en flexibel
Behalve het Tassenmuseum Hendrikje is in ons land tot nu toe geen culturele instelling over de kop gegaan. De overheden hebben de culturele sector uiteindelijk ruimhartig bijgestaan, met diverse steunpakketten. We zien dat als je in Nederland als organisatie tot de gevestigde culturele orde behoort, je ook écht geïnstitutionaliseerd bent. Uit het onderzoek
 
Ongelijk getroffen, ongelijk gesteund van de Boekmanstichting blijkt dat dankzij de coronasteun de meerjarig gesubsidieerde dans, theater en muziekgezelschappen en presentatie-instellingen tijdens de crisis een positief resultaat hebben geboekt. Hetzelfde zien we op lokaal niveau bij musea, theaters en bibliotheken. Echter, dat betekent niet dat de culturele arbeid ook in stand is gebleven. Op de werkvloer is de cultuursector de meest geflexibiliseerde sector van de economie. De flexibele schil was tijdens de crisis een gemakkelijke bezuinigingsoptie. Bijna de helft van de zzp’ers in de culturele sector moest door de pandemie ander werk zoeken. De grote vraag is of de zzp’ers weer zullen terugkeren en of het ecosysteem zich zal herstellen. Alleen een basisinkomen voor creatieven zou wat mij betreft de kwetsbaarheid van het aanbod van de culturele sector structureel kunnen verminderen.

Korte en lange termijn
Nu de samenleving geleidelijk aan weer open gaat lijkt het alsof we ‘zomaar’ weer terug kunnen naar normaal. Echter, dat kan tegenvallen. Als je een zomer lang een opblaaszwembad in je tuin zet, duurt het een lange tijd voordat je gras zich daarvan volledig heeft hersteld. Het toekomstig herstel en succes van de sector worden sterk beïnvloed door de noodzakelijke plannings- en investeringshorizon. Producties worden lang tevoren voorbereid, artiesten moeten tijdig worden geboekt. Dat is in de popmuziek seizoenen tevoren, en in de klassieke muziek en opera jaren tevoren. Exposities, zeker blockbusters, worden jaren van tevoren opgetuigd. Alle langcyclische processen zijn door de crisis verstoord en toch willen we de wederopbouw liefst morgen al ter hand nemen. Een onverenigbaarheid.

Snelle groei en snelle krimp
Uit de publicatie
 Cultuur in tijden van corona van het BNG Cultuurfonds opgesteld in samenwerking met de Boekmanstichting, blijkt dat de culturele instellingen snel en veerkrachtig op de crisis hebben gereageerd. Vooral online zijn veel nieuwe initiatieven tot wasdom gekomen waarbij de digitalisering heeft een enorme versnelling doorgemaakt. Echter de versnelling die we zien bij groei, zien we ook bij krimp. De bibliotheken hebben in 2020 ca. 25% à 30% minder boeken uitgeleend en hun activiteiten zijn verregaand geslonken. De vrijwilligers bij musea en archieven zijn in grote aantallen afgehaakt. En de amateurkunstverenigingen die al met krimp te maken hadden (denk aan koren, toneelverenigingen en harmonieën en fanfares) kampen met grote verliezen in ledenaantallen. Bij de versnelling van de groei in het digitale domein zeggen we dat die noodzakelijk en onomkeerbaar is. Maar misschien is de versnelling van de krimp in het fysieke domein ook onvermijdelijk en onomkeerbaar.

Te veel en te weinig gesprek
Er is wat afgepraat tijdens de coronacrisis. Deels omdat de wereld zich in een nieuwe gedaante aan ons voordeed en deels omdat velen toch niets anders te doen hadden, gaven we ons over aan eindeloze bespiegelingen. Als mensen zeggen dat ze corona-moe zijn, bedoelen ze waarschijnlijk vooral deze besprekingen. Maar toch zul je zien dat er in de komende tijd alleen maar meer animo zal zijn tot gesprek. Noodgedwongen bestond veel communicatie in de afgelopen periode uit het functioneel uitwisselen van informatie over maatregelen om de coronacrisis in te dammen. Als de crisis ten einde is, zal er een grote behoefte zijn aan reflectie, duiding en het maken van plannen. Bij iedere crisis wordt een aantal stadia doorlopen bij het kunnen omgaan met (de effecten van) die crisis. Daarbij hoort – na de acute fase, de stabilisatiefase en de fase van opluchting (zucht, het ergste is voorbij) – ook een fase van terugblik. Een periode van nakaarten en vooruit kijken: Wat hebben we goed gedaan, wat ging er slecht? Welke lessen kunnen we trekken voor een volgende keer? Wat is er nodig om verder te kunnen? En: wat voor nare consequenties kunnen zich nog aandienen? Deze fase breekt nu aan en bijvoorbeeld de Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft haar leden al geadviseerd om een lokale gespreksagenda op te stellen voor een dialoog met het culturele veld.

Existentieel en essentieel
De crisis heeft ons geleerd hoe onmisbaar kunst en cultuur zijn. Hoe saai, ja naargeestig is het leven zonder ontmoeting, kunst op een podium, kunstzinnige inspiratie, verwondering, schoonheid? Maar ook al beleefden we kunst als een bijna existentiële noodzaak, toch hebben we ook ondervonden waar de prioriteiten van de politiek liggen, en dat cultuur hierbinnen niet essentieel is. In Nederland is het bordeel belangrijker dan de bibliotheek (Ozcan Akyol), de bouwmarkt belangrijker dan de boekhandel, de IKEA belangrijker dan het Rijksmuseum. Dit zijn de feiten van het Hollandse leven waarmee we het moeten doen, tenzij de crisis ons iets anders heeft geleerd.

Vier voorstellen ter versterking van de culturele sector

In de zomer van 2020 weerklonk de roep om een herinrichting van ons cultuurstelsel. De klachten over het huidige bestel zijn duidelijk: versnippering van beleid, weinig ruimte voor toetreders, onderbetaalde professionele inzet, weinig aanbod in de regio et cetera, maar het juiste medicijn is er nog niet. Net als bij corona werkt een combinatie van verschillende vormen van aanpak vermoedelijk het beste. Mijn behandelmethode bestaat uit vier interventies. Deze publiceerde ik in de Boekman van 11 maart 2021.

Veranker de doelen van het cultuurbeleid in de wet 
De Raad voor Cultuur adviseert in de verkenning Cultuur voor stad, land en regio (2017) om heldere doelstellingen voor het cultuurbeleid te formuleren en die wettelijk vast te leggen. De Raad geeft een voorzet met vier doelstellingen:
  • Creatieve en kunstzinnige talenten moeten kansen en mogelijkheden krijgen zich artistiek te ontplooien.
  • Iedereen, ongeacht leeftijd, culturele achtergrond, inkomen en woonplaats, heeft toegang tot cultuur.
  • Een pluriform aanbod van cultuur is gegarandeerd, waarin het bestaande wordt gekoesterd en het nieuwe omarmd.
  • Er is een veilige haven voor cultuur om te kunnen reflecteren op de samenleving en haar burgers.
Helaas heeft de minister het advies niet overgenomen. Die verankering van de doelen zou alsnog bij wet geregeld moeten worden. Nu bevat de Wet op het specifiek cultuurbeleid alleen containerbegrippen. Het cultuurbeleid is gebaat bij een duidelijke koers met heldere doelen die relevant zijn voor álle overheidslagen en voor zowel private als publieke organisaties. Heldere doelen kunnen dienen als gezamenlijk kompas voor Rijk, provincies én gemeenten. Voor de bibliotheeksector heeft zo’n wettelij
ke kader goed uitgepakt: dit kan net zo uitwerken voor de cultuursector als geheel.

Realiseer multipliereffecten via regionale fondsen

Van grote waarde in de sector is de gezamenlijke financiering van initiatieven en instituties door Rijk, provincies, gemeenten en fondsen. Vaak blijkt dat cofinanciering niet alleen een afweermechanisme vormt tegen bezuinigingen, maar ook een vliegwiel is voor extra inspanningen. Institutionele actoren willen net als mensen niet voor elkaar onderdoen en spiegelen zich graag aan elkaar. Wat opvalt: organisaties die deel uitmaken van een cultuurconvenant (bijvoorbeeld tussen Rijk, provincies en grote gemeenten) worden zelden geconfronteerd met bezuinigingen, grote projecten zoals ‘Culturele Hoofdstad van Europa’ worden altijd door meerdere overheden en fondsen gedragen, en succesvolle initiatieven zoals het Jheronimus Bosch-jaar (in 2016) worden meestal vanuit meerdere bronnen mogelijk gemaakt.

Ik stel voor om de aanpak met regioprofielen aan te vullen met vier of vijf publieke regionale fondsen die worden gevoed en aangestuurd door Rijk, provincies en grotere steden samen. Besluitvorming vindt dan plaats door een regionaal advieslichaam dat de overheden samen in het leven hebben geroepen, en is samengesteld uit stakeholders, partners en publiek. Dan ligt het zwaartepunt in de beoordeling van instellingen niet meer alleen bij het criterium ‘artistieke kwaliteit’ (te beoordelen door landelijke experts), maar wordt met de samenstelling van het advieslichaam de maatschappelijke kwaliteit meer meegewogen.

De regionale advieslichamen gaan werken in de context van de regionale fondsen, waarmee dan een basisinfrastructuur in stand wordt gehouden die per regio kan verschillen. Ook kunnen per stad andere accenten worden gelegd. Op termijn kunnen de bestaande landelijke, disciplinegerichte fondsen eventueel worden opgeheven en opgaan in op te richten regionale cultuurfondsen. Daarmee komt de afstemming tussen meerjarige, een- of tweejarige en projectsubsidies in één hand en wordt de onderlinge wisselwerking (en de doorstroming) versterkt.

Versterk de aanbodzijde

In het cultuurbeleid ligt steeds meer de nadruk op het stimuleren van de afname: de focus ligt op de publieksgroepen die participeren in kunst en cultuur, hoeveel er wordt geparticipeerd en op maatregelen om de deelname te vergroten. Het ondersteunen van de aanbodkant, de productie van kunst, wordt verwaarloosd. Een zorgelijke ontwikkeling.

In De essentie van cultuurbeleid en -management (Wijn 2018) presenteer ik vijftien praktijklessen die zijn ontleend aan de (vak)literatuur. De eerste luidt:‘het gaat om de balans tussen het stimuleren van het aanbod en het bevorderen van de afname.’ Momenteel is de balans op diverse terreinen verstoord.

Allereerst laat de Cultuurindex van 2019 (voor de coronaperiode) zien dat er wat betreft bepaalde vormen van podiumkunst (toneel, dans, klassieke muziek) al jarenlang een neerwaartse trend in het aanbod is. Te vrezen valt dat door de coronacrisis en het accent op de ondersteuning van de erkende kunstinstituten de verdunning van het kwalitatief hoogwaardige aanbod doorzet. Hier dreigt het evenwicht blijvend verstoord te raken. Op de podia zijn steeds meer cabaretiers, coverbands en theatercolleges te zien, terwijl het aanbod aan toneel en dans krimpt. Goed voor de cultuurparticipatie wellicht, maar funest voor de kwaliteit en zeker de diversiteit in het aanbod.

Voor de muziek laat de index zien dat het internationale aanbod bedreigend is voor de inkomsten van onze musici in alle genres. Opnieuw een verstoring van de balans, hier ten koste van de Nederlandse musici en componisten. De betaling van hen heeft een dieptepunt bereikt en daar helpen de Fair Practice Code en een stimulerend participatiebeleid weinig aan. De goede wil is er, maar geld, stevige afspraken tussen overheden en nieuwe auteursrechtelijke regels ontbreken.

Ook in de filmsector is het evenwicht verstoord. Het Filmfonds functioneert gelukkig nog, maar het Mediafonds is afgeschaft, de publieke omroep staat onder druk en Nederlandse filmproducenten hebben het moeilijk. En ondertussen winnen de grote streamingdiensten steeds meer terrein en bestaat het filmaanbod buiten het circuit van de arthouse en filmtheaters vooral uit Amerikaanse blockbusters.

In het domein van de musea staren we ons blind op de grote musea die het goed doen (Museumvereniging 2018). Aan cultuurparticipatie in dit domein geen gebrek, vooral de ouderen doen (opnieuw: precorona) geweldig mee. Maar veel van de kleine en middelgrote musea hebben het moeilijk en de benodigde steun om de zaak open te houden brokkelt op lokaal niveau af. En op het terrein van de beeldende kunst is de disbalans tussen vraag en aanbod compleet: het aantal kunstenaars dat van het maken van kunst kan leven, blijft maar dalen en de coronacrisis heeft de situatie vast verslechterd.

In aanvulling op het bevorderen van de vraag (participatie) en het beter organiseren van de kunstproductie (via de gedragscodes en een accent op inclusie) is het zaak om nu werk te gaan maken van het versterken van de positie van de makers van kunst. Daarbij gaat het om subsidies voor makers, maar ook om programmeerbudgetten, modernisering van het auteursrecht, eerlijke betaling en wat dies meer zij.

Proeftuin met het basisinkomen

De meest concrete manier om de effecten van de coronacrisis te tackelen en werk te maken van kunstenaarsbeleid is zo snel mogelijk een proeftuin voor een basisinkomen voor creatieven te starten. Degene die het basisinkomen in 2014 heeft teruggeplaatst op de politieke agenda is Rutger Bregman. Zijn publicatie Gratis geld voor iedereen werd een internationale bestseller. Maar liefst negen Nederlandse steden kondigden experimenten aan op dit terrein. Veel is er daarna echter niet meer over gehoord. Begrijpelijk: als de economie floreert is er nooit aanleiding voor systeemveranderingen. Inmiddels is de situatie echter radicaal gewijzigd en kunnen we vaststellen dat een systeem van basisinkomens tijdens de coronacrisis een uitkomst was geweest. Zowel voor de meer dan 100.000 zzp’ers in de culturele sector als voor de overheid, voor wie het geven van inkomensondersteuning minder ingewikkeld was geweest.

Vanuit het adagium ‘never waste a good crisis’ zeg ik: start nu zo snel mogelijk met een goede proeftuin voor het basisinkomen en definieer die niet geografisch maar naar beroepsgroep. De creatieve sector is hiervoor bij uitstek geschikt. Zo’n 60 procent van alle kunstenaars werkt tegenwoordig als zelfstandige, daarbij vaak meerdere deeltijdbanen combinerend (SER 2016). WW- en bijstandsuitkeringen komen onder kunstenaars aanzienlijk vaker voor dan onder de gehele beroepsbevolking. Alle reden om juist deze groep te koppelen aan de proeftuin.

Starten als ondernemer gaat met vallen en opstaan, niet iedereen heeft direct een volledig renderende beroepspraktijk. De overheid kan creatieve starters die onvoldoende verdienen helpen door hun een keuze te bieden: ofwel je volgt de weg van de ‘normale’ bijstand, krijgt een uitkering op het sociaal minimum en moet solliciteren. Ofwel je volgt vijf jaar lang de weg van het basisinkomen richting creatief ondernemerschap.

Het basisinkomen voor creatieven kan op ca. 70 procent van de bijstandsuitkering worden gelegd. Lager dan het sociaal minimum, maar de regeling heeft voor de startende ondernemer twee voordelen: hij hoeft niet te solliciteren en bovendien mag het met eigen inkomsten worden aangevuld.

Veel creatieven willen van meet af aan als ondernemer aan het werk. Ze hebben een sterke voorkeur voor een lossere leefstijl, conformeren zich niet graag aan werkgevers of instituten en waarderen de inhoud van hun werk erg. Hard werken leidt tot resultaat, is hun overtuiging en dat manifesteert zich vooral in persoonlijke ontwikkeling en afwisselend werk en niet (alleen) in financiële termen.

Het mooie van deze benadering is dat de groep ‘creatieven’ eigenlijk zichzelf definieert: wie kiest aan het begin van zijn loopbaan vrijwillig voor 70 procent van het sociaal minimum zonder perspectief op een succesvolle zelfstandige (creatieve) beroepspraktijk? Het vijfjarig basisinkomen kan een rol spelen voor personen met een erkende kunstopleiding als beeldend kunstenaars, fotografen, componisten en musici, maar ook voor creatieve beroepsgroepen als softwareontwikkelaars, reclamemakers, redacteurs en analisten. Zij zijn vaak creatieve makers, al hebben ze geen kunstopleiding gevolgd.

Al jaren willen onze politieke partijen Nederland en Europa transformeren tot de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld. Welnu: het middel om dit te stimuleren ligt binnen handbereik en het moment om ermee aan de slag te gaan is aangebroken. Ik pleit voor een experiment van vijf of zeven jaar, met vooraf gedefinieerde succesfactoren op basis waarvan de politiek na afloop kan beslissen of het is geslaagd en of uitbreiding voor een langere periode en naar andere groepen wenselijk is.

dinsdag 26 mei 2020

De balans is zoek

(Cultureon, 20-2-2020)
In het cultuurbeleid ligt steeds meer de nadruk op het stimuleren van de afname. De focus ligt op wie er participeren in kunst en cultuur, hoeveel er wordt geparticipeerd en op de maatregelen die kunnen worden genomen om de deelname te vergroten. Het ondersteunen van de aanbodkant, het maken van kunst, wordt beleidsmatig steeds meer verwaarloosd. 
Ik vind dat een zorgelijke ontwikkeling.
In het boek dat ik een jaar geleden uitbracht (De essentie van cultuurbeleid en -management) stonden 15 praktijklessen die waren ontleend aan de (vak)literatuur. De eerste les, ontleend aan deel 1 van de publicatie, luidt: “het gaat om de balans tussen het stimuleren van het aanbod en het bevorderen van de afname.” Ik moest er aan denken toen ik onlangs Editie 2019 van de Cultuurindex onder ogen kreeg. Daarin wordt gesignaleerd (trendanalyse) dat het qua concurrentiekracht, capaciteit en geldstromen redelijk gaat met de Nederlandse cultuur. Wie dieper kijkt ziet echter dat de balans op diverse terreinen is verstoord.
Allereerst laat de Index duidelijk zien dat er wat betreft de betere vormen van podiumkunst al jarenlang een neerwaartse trend is. Het aanbod wordt minder en te verwachten valt dat een verdere verdunning zal optreden door het beleid van de regering (minder geld naar het Fonds, meer naar de basisinfrastructuur) en het accent op (het bevorderen van) cultuurparticipatie. Hier dreigt het evenwicht blijvend verstoord te raken: op de podia zijn steeds meer cabaretiers, coverbands en theatercolleges te zien. En het aanbod aan toneel en dans kwijnt weg. Goed voor de cultuurparticipatie wellicht, maar fnuikend voor de diversiteit in het aanbod, om van de kwaliteit nog maar te zwijgen.

Aan goede wil geen gebrek

Voor de muziek laat de index zien dat het internationale aanbod bedreigend is voor de inkomsten van onze musici en dat in alle genres. Opnieuw een verstoring van de balans, in dit geval ten koste van de Nederlandse musici en componisten. De betaling van de musici heeft een dieptepunt bereikt en daar helpen – zo valt te vrezen – de Fair Practice Code en een stimulerend participatiebeleid weinig aan. Aan goede wil is geen gebrek, maar wel aan geld, stevige afspraken tussen overheden (in plaats van een luttele proeftuin) en nieuwe auteursrechtelijke regels.
Waar het evenwicht ook is verstoord, is in de filmsector. Het Filmfonds functioneert gelukkig nog, maar het Mediafonds is afgeschaft, de publieke omroep staat onder druk en de filmproducenten hebben het moeilijk. En ondertussen neemt het geweld van de grote streamingsdiensten (Netflix, Apple TV, Amazon Prime, Google Play) toe en bestaat het filmaanbod, zeker buiten de universiteitssteden, vrijwel uitsluitend uit Amerikaanse blockbusters.

Noodzaak van een kunstenaarsbeleid

En in het domein van de musea staren we ons blind op de grote musea die het goed doen. Aan cultuurparticipatie daar geen gebrek, vooral de ouderen (nog een prioritaire groep in het participatiebeleid van staatssecretaris Van der Ploeg) doen geweldig mee. Maar veel van de kleine en middelgrote musea hebben het moeilijk en de steun die zij nodig hebben om de zaak open te houden brokkelt op lokaal niveau af. En op het terrein van de beeldende kunst zien we de disbalans tussen vraag en aanbod helemaal: het aantal kunstenaars dat van het maken van kunst kan leven blijft dalen, maar vanuit de rijksoverheid hierover geen woord. Ik schreef er al eerder over: wat echt nodig op rijksniveau is, is een eigentijds, opnieuw overdacht kunstenaarsbeleid.

Aanbodzijde versterken

In plaats van, zoals nu, in te zetten op het bevorderen van de vraag (lees: cultuurparticipatie) en het beter organiseren van de kunstproductie (via de governancecode en een accent op inclusie) vind ik het hoog tijd om te werken aan de balans. De aanbodzijde moet op allerlei terreinen worden versterkt. Anders hebben we straks wel politiek correct cultuurbeleid, maar niet (meer) een beleid dat effectief de - kwaliteit en kwantiteit van de - kunst in Nederland bevordert. Veelzeggend in dit verband is ook de scheve verhouding tussen de kunst- en de erfgoedsector. Voor het erfgoed trok het kabinet in 2018 € 325 mln. extra uit (oa bestemd voor restauraties, archeologische monumenten en vrijwilligersondersteuning). Maar de korting van € 8,6 miljoen op het budget van het Fonds Podiumkunsten ten gunste van de basisinfrastructuur gaat vooralsnog gewoon door. En de vraag van de Vereniging van Nederlandse Orkesten aan de Kamer om € 20 mln. extra om de Fair Practice Code uit te voeren wordt vast niet gehonoreerd.
Het is hoog tijd om de aandacht in het beleid weer te verschuiven naar de makers en wat zij nodig hebben om op kwalitatief hoogwaardig niveau te presteren.

dinsdag 12 november 2019

Acht voordelen van verzelfstandiging


Vijf jaar geleden verscheen mijn boek De Culturele Stad – een handboek voor beleidsmakers en zij die het willen worden. Aanvankelijk had ik het plan om hierin ook ruim aandacht te besteden aan het cultuurbeleid van de steden in Vlaanderen. Dat het Vlaamse aandeel uiteindelijk beperkt bleef, kwam door mijn research en de gesprekken die ik voerde. Al snel bleek mij namelijk dat de beleidsthema’s in Vlaanderen exact hetzelfde zijn als in Nederland, maar dat de manier waarop de culturele sector is georganiseerd totaal anders is. Kort gezegd: anders gestructureerd, met andere taken en verantwoordelijkheden voor de overheden en met andere financiële relaties met de culturele organisaties. Een groot verschil is de positie van de grotere culturele instellingen: in Nederland veelal zelfstandig (in de vorm van een stichting of soms een vennootschap); in Vlaanderen vaak onderdeel van de overheid. Sindsdien sta ik regelmatig stil bij de vraag wat beter functioneert: een zelfstandige instelling of een organisatie-onderdeel waarbij de medewerkers de status hebben van ambtenaar.

De gesprekken die ik in Vlaanderen voerde vonden plaats in 2012 en 2013: tijdens en net na de periode Halbe Zijlstra. Weliswaar was Zijlstra maar kort (oktober 2010 - november 2012) staatssecretaris van Cultuur, maar zijn bezuinigingsmaatregelen hadden grote impact. In Vlaanderen werd ik er hard mee geconfronteerd: zo’n drastische ingreep zou in Vlaanderen ondenkbaar zijn, zo werd er gezegd, omdat veel Vlaamse culturele organisaties onderdeel zijn van de gemeente en daarmee “van de gemeenschap”. De ambtelijke inbedding als immuunsysteem tegen bezuinigingen dus. De theorie beviel me wel, maar de praktijk bracht me toch aan het twijfelen. Als ik Vlaams cultureel centrum, een museum of een bibliotheek binnen ging, viel ik ten prooi aan verbazing. Had de tijd er stil gestaan? Vonden er helemaal geen innovaties plaats? En, vooral: waarom had men zoveel personeel? 

Argumenten voor en tegen
Bij het denken over de voor- en nadelen van verzelfstandiging kom je al snel terecht in Cruijffiaanse confusies: ‘ieder voordeel heb z’n nadeel’. Want veel medewerkers hebben is misschien wel een voordeel, totdat je publiek verandert en je een andere manier van werken moet doorvoeren. En het Hollandse ‘cultureel ondernemerschap’ is wellicht een groot goed, totdat je merkt dat in ons land alles tegenwoordig “marktconform” wordt ingevuld, dus ook de manier waarop de huisvestingslasten van een nieuw cultuurgebouw worden bepaald.
Dit voorjaar deed ik samen met Joost Kok onderzoek naar de mogelijkheden om het cultureel ondernemerschap van het Theater aan het Vrijthof te vergroten. Een organisatie die nog onderdeel is van het gemeentelijk apparaat, wat gezien de nabijheid van België misschien geen toeval is. In de gemeenteraad van Maastricht liet ik onderstaande dia zien:

Het gaat over sturen
Daarnaast legde ik uit dat het bij de vraag wel of niet verzelfstandigen in essentie gaat over sturing: 
  • Hoe kan de gemeente voldoende sturen op een efficiënte en effectieve besteding van de publieke middelen die met de culturele programmering zijn gemoeid? 
  • Hoe kan de cultureel manager voldoende sturen op zijn bedrijf om cultureel ondernemerschap aan de dag te kunnen leggen? 
En ook legde ik uit waar verzelfstandiging niet over gaat. Het gaat niet over eigenaarschap, want meestal blijft het gebouw eigendom van de gemeente en blijft de organisatie afhankelijk van gemeentelijke subsidie. En eigenlijk gaat het ook niet over kostenreductie, want hoewel zelfstandige organisaties vaak op de lange termijn goedkoper werken, treedt dit voordeel pas op na verloop van jaren, als nieuwe medewerkers hun intrede doen en nieuwe afspraken (bv over de uitvoering van backoffice taken, over systemen en over gebouwbeheer) hun uitwerking hebben. 

Acht voordelen
De gemeenteraad van Maastricht vond de beslissing lastig. Men besloot eerst het bredere perspectief te willen zien: het nieuwe cultuurbeleid van de gemeente, de wisselwerking met het theater in Heerlen, de ontwikkelingen in de zogeheten Stedelijke Cultuurregio Zuid. Toch denk ik dat men uiteindelijk zal kiezen voor verzelfstandiging (lees: het theater uit de ambtelijke organisatie halen), want een achttal voordelen – door mij op de weegschaal gepresenteerd – geeft op termijn de doorslag:
  • De culturele kracht neemt toe: een zelfstandige culturele organisatie wordt gestimuleerd om meer en ander publiek te bereiken.
  • Bij zelfstandigheid gaat alle energie naar de culturele corebusiness, niet meer naar alle intern-gemeentelijke overlegverplichtingen.
  • Afspraken worden explicieter: het management krijgt meer greep op de bedrijfsvoering, de gemeente meer op de prestaties. Management én gemeente kunnen beter sturen.
  • De financiële kracht neemt toe omdat het management greep krijgt op álle kosten, ook op de (vaak wat onzichtbare en binnen het gemeentelijk apparaat versleutelde) overhead.
  • Zelfstandig personeelsbeleid wordt mogelijk, volledig op maat van de ondernemende organisatie.
  • De directiefunctie wordt aantrekkelijk voor een culturele topper.
  • Bestuursleden (RvT of RvC) kunnen een waardevol klankbord voor de directie zijn.
  • Een passende financiële administratie en ict-infrastructuur worden mogelijk.
Tegenover deze voordelen staan naast gevoelsmatige bezwaren maar twee echte nadelen. Op termijn (niet in de overgangssituatie) zal er scherper worden gestuurd op de omvang van de personeelsformatie. En het immuunsysteem tegen bezuinigingen is misschien minder. Maar immuunsystemen laten zich ook weer versterken. Daarover een andere keer.

NB: ook in Vlaanderen over dit thema is een ontwikkeling gaande. Vorig jaar verscheen hierover een relevante publicatie: Schramme, A.(red), Cultuur op eigen koers - Verzelfstandiging van musea en andere culturele organisaties, Leuven 2018.

 

dinsdag 27 augustus 2019

Culturele clusters als objecten van verleiding

In juni van dit jaar verscheen een publicatie van de Cultuurconnectie in samenwerking met Joris Kok: de Handreiking Krachtige Cultuur Kernen. De uitgave is mede de vrucht van de cursus die Kok samen met Bastiaan Vinkenburg (Berenschot) en ondergetekende in 2016 en 2017 verzorgde voor de Stichting Cultuur + Ondernemen. Deze zomer had ik tijd om de publicatie met aandacht te lezen. Zij gaat niet over het cultuurbeleid in kleine kernen, maar over samenwerking binnen multifunctionele culturele gebouwen. Over die samenwerking worden behartigenswaardige dingen gezegd. De uitgave biedt een interessante, realistische en tamelijk complete inkijk in de complexiteiten die optreden als culturele organisaties met elkaar gaan samenwerken, vooral als dit gebeurt in nieuwe of daarvoor geschikt gemaakte panden. Wat mij betreft is krachtenbundeling de centrale term bij pogingen om dit soort samenwerkingen tot stand te brengen en ook Kok cs kijken er op die manier naar. 
 
Als culturele organisaties hun huisvesting gaan delen dienen zich altijd een aantal spanningsvelden aan. De belangrijkste is die tussen de hooggestemde verwachting over de meerwaarde van de samenwerking en de weerbarstige uitvoeringspraktijk van alledag. Deze spanning manifesteert zich vaak tussen de subsidiërende gemeente en de culturele organisaties, maar ook geregeld tussen de organisaties onderling. Een ander spanningsveld is die tussen mogelijkheden die een nieuw gebouw biedt en de hoge huisvestingslasten die hiermee vaak samenhangen. Ook een spanningsveld is die tussen de gewenste culturele programmering en de benodigde commerciële inkomsten, vooral uit horeca. En wat te denken van het spanningsveld tussen de behoefte aan een eenduidige aansturing van het geheel versus de afzonderlijke belangen van verschillend geaarde organisaties?

Evenwichtige behandeling

In de Handreiking Krachtige Cultuur Kernen gaan Joris Kok en zijn mede-auteurs systematisch in op de diverse aspecten die samenhangen met het tot stand brengen van een cultureel samenwerkingsverband. Daarbij besteden zij aandacht aan de veronderstelde meerwaarden, de manieren om tot een productieve samenwerking te komen, de zaken die komen kijken bij het (ver)bouwproces en aan diverse organisatievraagstukken. De casuïstiek is daarbij vooral afkomstig uit het domein van de (samenwerking tussen) kunstencentra, bibliotheken en volksuniversiteiten, al komen ook theaters en musea aan bod als samenwerkingspartners.

De gesignaleerde spanningsvelden manifesteren zich ook in de publicatie. Regelmatig wordt er op twee gedachten gehinkt. Gelukkig zijn de auteurs zich hiervan ook bewust. Zo worden de voordelen van samenwerking en van multifunctioneel gebouwgebruik beleden, maar worden ook de voetangels en klemmen benoemd. Op die manier wordt een goede balans gevonden tussen enerzijds het promoten van de voordelen van multifunctionaliteit en anderzijds het beschrijven van de moeilijkheden en de valkuilen. 

Fusie en andere samenwerkingsvormen

Op sommige onderdelen is de publicatie wat onprecies. Zo wordt slechts mondjesmaat aandacht besteed aan de btw-kwesties die kunnen spelen bij (ver)bouw en exploitatie. En wordt er geen onderbouwd oordeel uitgesproken over de fundamentele keuze tussen het uitvoeren van de horeca in eigen beheer en het uitbesteden ervan. Ook wordt de gemeente automatisch (en dus wat al te makkelijk) in de positie geplaatst van gebouweigenaar, terwijl in de praktijk soms ook andere actoren die rol vervullen. Voorts is de manier waarop over de meest geschikte organisatievorm wordt gesproken niet volledig. Er wordt een vrij dualistisch onderscheid gehanteerd tussen de bestuurlijke fusie en de juridische fusie (tussen rechtspersonen), maar de bestuurlijke fusie blijft onbeschreven en andere samenwerkingsvormen (denk aan het samenwerken op basis van een overeenkomst) krijgen weinig aandacht, terwijl ik in mijn eigen adviespraktijk juist ervaar dat hybride samenwerkingsvormen op basis van goede afspraken vaak vruchtbaarder uitpakken dan gedwongen vormen van fusie.

Verleiding

Gezien de doelgroep van de publicatie (lokale beleidsambtenaren, raadsleden en wethouders) is het een goed idee om de publicatie te laten eindigen met vijf misverstanden rond clustering. Deze misverstanden (bijvoorbeeld: clustering leidt tot grotere efficiëntie) zijn goed om te benoemen. Door de misvattingen heen schemeren de spanningsvelden die ik hiervoor aanduidde. Daarbij is het belangrijk om te onderkennen dat gemeenten vaak druk uitoefenen op culturele organisaties om in één gebouw te gaan samenwerken, bijvoorbeeld vanwege een beoogde gebiedsontwikkeling. Voor culturele bestuurders is het dan zaak om te weten of ze zich hier wel of niet toe moeten laten verleiden. Want als er één ding duidelijk is, dan is het wel dat culturele clusters een verleiding vormen: vooral voor politici, stedenbouwers, architecten en adviseurs. En zoals met alle verleidingen is de kunst ook hier het vinden van een balans tussen hart en ratio.



NB: ook nuttige publicaties over dit onderwerp zijn:

­- Dijkman, P. Velen wegen naar het Kulturhus, Amsterdam 2011.

­ - Van Leent, M. Publiek vastgoed. Amsterdam 2012.

­- Van Schaik, M. Spaces of culture: A trialectic analysis of the recent developments of cultural venues, Amsterdam 2018 (binnenkort verschijnt van dit proefschrift een publieksversie bij NAI Uitgeverij).